Vorig jaar organiseerden de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van Brussel een kleine maar schitterende dossiertentoonstelling gewijd aan Pol Bury. Ondanks de vooraanstaande rol die Pol Bury zowel in ons land als internationaal gespeeld heeft in de ontwikkeling van de kinetische kunst, blijft het verrassend dat de laatste grote overzichtstentoonstelling die plaatsvond in het PMMK van Oostende reeds dateert van 1996. Er waren natuurlijk ook een aantal evenementen zoals de openluchttentoonstelling in het kasteel van Seneffe, die nog liep toen de kunstenaar overleed, of de documentair sterk uitgewerkte tentoonstelling in La Louvière vorig jaar, maar voor een kunstenaar van het kaliber van Pol Bury blijft het wachten op de grote overzichtstentoonstelling in één van onze grote musea

Met de tentoonstelling die van 3 oktober tot 1 december 2007 loopt in Galerie Patrick Derom, wordt een poging gedaan om nogmaals het belang en de diversiteit van het œuvre van Pol Bury in de schijnwerper te plaatsen. Meer dan honderd werken, waarvan de meeste te koop aangeboden worden, moeten een historisch en thematisch gediversifieerd beeld kunnen schetsen van deze eigenzinnige, surrealistische dissident.

Inderdaad, het woord is gevallen: het surrealisme. Het is immers binnen deze traditie dat de jonge Bury zijn eerste stappen in de kunstwereld zet, geleid door de lichtende voorbeelden van Tanguy en Magritte. Maar lang zal de liefde met het orthodox surrealisme niet duren. Bury probeert zich er in grote mate van te distanciëren en experimenteert met de abstractie in de vroege jaren '50, ondergaat ongetwijfeld zijn grootste artistiek schok bij het zien van een tentoonstelling van Alexander Calder, beleeft in tussentijd ook een korte periode binnen de Cobra-beweging, en na enkele experimenten met beweegbare reliëfs in felle kleuren (Plans mobiles), bereikt Bury eind jaren '50 misschien wat als het echte startschot van zijn œuvre bestempeld kan worden. Met zijn ponctuations worden kunstwerken geboren die noch schilderij, noch sculptuur zijn, die voorzien zijn van een elektrische motor, en waarbij het begrip tijd een alsmaar grotere rol gaat spelen. De reliëfs van Bury bewegen niet zomaar, neen, ze bewegen héél langzaam.

Of zoals Jean Revel in 1964 schrijft: "Le coup de génie de Pol Bury est d'avoir pensé à faire des sculptures qui bougent un tout petit peu. Cela n'a l'air de rien quand on le lit: mais quand on y est, c'est aussi terrifiant qu'un conte d'Edgar Poe." [Wat de sculpturen van Pol Bury zo geniaal maakt, is dat Bury de idee had om ze een klein beetje te laten bewegen. Wanneer men het zo leest lijkt het niets bijzonders, maar wanneer men het ervaart is het huiveringwekkend als een verhaal van E.A. Poe]

Beweging en tijd vinden hun uitdrukking door middel van creaties die ontdaan zijn van elke verwijzing naar de realiteit. Een houten plank waaruit nylondraden steken waarvan de tip met een wit puntje eindigt, en waarvan deze vreemdsoortige stekels langzaam bewegen: het verwijst naar geen enkel bekend voorwerp, en het mist ook de hang naar vormelijke esthetiek van de abstracte kunst. De kunstenaar is verlost van het keurslijf van de klassieke beeldhouwkunst of schilderkunst.

En hoewel de oorsprong van deze creaties hun voedingsbodem vinden in het afwijzen van het orthodox, of tegen die tijd academisch surrealisme, kan men moeilijk de invloed van het surrealisme ontkennen. Eenzelfde zin voor vervreemding en zelfs milde humor die de eerste surrealisten dreef, blijft ook aanwezig in de werken van Pol Bury. Maar liever dan een ruggegraatloze navolger van Magritte te worden, is Bury er met zijn artistieke vadermoord in geslaagd een kunstvorm te creëren die de surrealistische zin voor anarchie weet te verzoen met een nieuwe vormentaal die fris en nooit eerder vertoond is.

Het duurt dan ook niet lang of Bury komt onder de beschermende vleugels van grote Parijse galeries terecht: eerst galerie Denise René, later de Galerie van Aimé Maeght. In het gezelschap van geestesverwanten als Soto, Tinguely en Vasarely neemt de internationale carriere van Bury een hoge vlucht. Tussen 1966 en 1968 verblijft hij ook vaker in New York dan Europa. Waar hij tot dan voornamelijk in hout werkte, begint hij vanaf dit moment ook in metaal te werken. Hierdoor kan hij gebruik maken van magneten die de beweging in zijn werk een grotere onvoorspelbaarheid verlenen.

In 1964 snijdt Bury ook een ander thema aan waarvan hij tot het eind van zijn leven de grenzen zal blijven aftasten. Met de cinétisations worden clichébeelden zoals toeristische postkaartjes van Venetië, de Eiffeltoren, de grote meesters uit de kunstgeschiedenis... vrijwel elk beeld dat we niet meer bekijken omdat we het moe-gezien zijn, opnieuw leven ingeblazen door een typische collagetechniek. Het beeld wordt in cirkelvormige stroken gesneden, om vervolgens lichtjes gedraaid teruggeplaatst te worden, waardoor de Eiffeltoren zowaar aan het dansen gaat, Venetië ten prooi valt aan de grote golf van Hoskusai, of de strenge abstracte schilderijen van Mondriaan of Vasarely door dronkemansogen bekeken worden. Vanaf 1971 gaat Bury nog een stap verder in het vervormen van dergelijke beelden met de ramollissements waarbij foto's of reproducties van schilderijen hun strakheid verliezen en lijken weg te smelten. De vloeibare horloges van Dali of de organische vormen van Tanguy lijken niet ver af, en weer herkennen we een surrelistische zin voor vervreemding. Maar anders dan bij de surrealisten gaat het bij Bury niet om het creëren van een onirisch universum, maar wel om een aanval op het cliché, het door de massacultuur verstarde, van alle betekenis ontdane beeld of monument.

Met zijn eerste hydraulische fontein in 1976 en het monumentale plafond voor het metrostation Beurs in Brussel datzelfde jaar, gaat Bury zich meer en meer toeleggen op publieke sculpturen en fonteinen op monumentale schaal. Vanaf de jaren '80 en '90 vinden we er overal ter wereld terug: de fontein voor het Guggenheim Museum in New York (1980), de fontein voor het Provinciehuis in Antwerpen (1981), de fonteinen voor het Palais Royal in Parijs (1985), een fontein voor de Tohoku University of Art & Design in Yamagata, Japan (1994), etc.

Om dit aspect van Bury's œuvre toe te lichten heeft Galerie Derom de toegang tot de benedenverdieping van het huis aan de Kleine Zavel opengesteld. Via de tuin of de gang tussen beide gebouwen krijgt men toegang tot enkele extra zalen waar door middel van originele maquettes, documentatie en foto's, deze werken voor openlucht aan bod komen. En in het kleine binnentuintje is tussen de bamboestruiken ook een fontein geïnstalleerd ter illustratie van de fonteinen die te koop aangeboden worden.

Naast zijn omvangrijk beeldend œuvre heeft Bury ook een grote hoeveelheid traktaten en boeken geschreven, soms gedreven door een strenge logica die uitmondt in de absurditeit (Le sexe des Anges et celui des Géomètres), soms getuigend van een nuchtere zin voor politiek en de plaats van de kunstenaar in de wereld (La révolution à cheval et l'art à bicyclette). En laten we de talrijke publicaties van de "Daily Bul" niet vergeten: opgericht in 1959 met André Balthazar bieden deze pamfletten, tijdschriften en publicaties allerhande een forum waar droge humor, zin voor absurditeit, ernst, poëzie en grafische experimenten het licht kunnen zien. Onder de medewerkers en companen van dit avontuur treffen we naast Bury zelf ook Pierre Alechinsky, Jean Tardieu, Gaston Chaissac, Roland Topor, Paul Colinet, Achille Chavée en Henri Storck (om er maar enkele te noemen) aan. Een selectie van deze geschriften wordt in een documentair luik tentoongesteld, aangevuld met fotografisch materiaal en de filmdocumentaire die Jean Antoine in 1978 maakte voor de Franstalige, nationale zender.

Het mag duidelijk zijn dat een overzichtstentoonstelling van Pol Bury met geen honderd werken gerealiseerd kan worden. Wat wel kan, is de appetijt voor Bury aanscherpen opdat we ons in de nabije toekomst mogen verheugen op een echte retrospectieve, museale tentoonstelling, die de kunstenaar verdient.